Verlos
de euthanasiewet uit haar lijden
De Standaard 2004-11-17
De
houding van onze maatschappij tegenover het menselijk leven is alsmaar vlugger
en radikaler aan het veranderen. In toenemende mate lijkt het of brede groepen
in de samenleving de mening toegedaan zijn dat menselijk leven in bepaalde
gevallen geen respect meer verdient. De zorg voor embryo’s, foetussen, zwaar
gehandicapten of ongeneeslijk zieken zouden we in bepaalde gevallen niet meer op
ons hoeven te nemen. Sommige parlementsleden, zoals Jeannine Leduc (VLD) en Paul
Wille (VLD), stellen voor om begeleide zelfdoding wettelijk te omkaderen en ook
euthanasie van dementerenden en minderjarigen voortaan straffeloos te laten
verlopen. We gaan met rasse schreden naar een toestand waarin euthanasie als
iets alledaags en vanzelfsprekends wordt voorgesteld. Meer en meer wordt
euthanasie geïnterpreteerd als een medische handeling, die beantwoordt aan het
recht van een patiënt op levensbeëindiging.
In
de eerste plaats dient opgemerkt te worden dat euthanasie helemaal geen
medische handeling
is, zelfs niet als de toepassing ervan alleen aan de arts is toegestaan.
Euthanasie is de opzettelijke beëindiging van het leven van een patiënt op
diens verzoek. Ze heeft dus niet de verzorging van de patiënt of de leniging
van zijn lijden op het oog maar uitsluitend zijn verdwijning. Een dergelijke
handeling druist in tegen de eed van Hippocrates en tegen alle codes van de
medische plichtenleer, ook in België. Het is dan ook op zijn minst paradoxaal
dat een arts bij de uitoefening van zijn beroep een daad zou stellen die ingaat
tegen zijn uitdrukkelijk gegeven woord om het menselijk leven in alle
omstandigheden te behoeden en te beschermen.
Men
verlieze niet uit het oog dat euthanasie een gebod overtreedt dat aan elke
beschaving ten
grondslag ligt: “Gij zult niet doden”. Zelfs in welomschreven, specifieke
omstandigheden komt de overtreding van dat verbod erop neer dat de grondslagen
zelf van onze democratie worden ondergraven. Die
steunt immers op het respect voor de individuele autonomie en vrijheid. Dat het
leven daar een onontbeerlijke voorwaarde voor is, hebben hedendaagse filosofen
als Jürgen Habermas en Leon Kass met nadruk onderstreept, en daarin stemmen zij
overeen met alle grote religieuze tradities, zowel die van christen- en jodendom
als van islam en boeddhisme.
In
het licht van dat respect voor het menselijk leven wekt de bestaande wetgeving
ongerustheid en onzekerheid. Met des te meer reden komt elke versoepeling of
verruiming van de huidige wet als onaanvaardbaar voor, zeker wat de
minderjarigen en dementerenden betreft. Weer brengt ons dat een stap nader tot
de banalisering van de euthanasie en tot een maatschappij die er zich bij
neerlegt dat er nu eenmaal mensenlevens zijn die er beter niet zouden zijn, want
minder waarde hebben dan andere die wel aan bepaalde kwaliteitsnormen
beantwoorden. Elk menselijk leven, welke ook zijn gezondheidstoestand, handicap
of lijden, behoudt ten volle zijn waardigheid en verdient het te worden
gerespecteerd. Dat brengt met zich mee dat onze maatschappij, in haar geheel en
in een geest van saamhorigheid, ertoe gehouden is om op een humane en
verantwoordelijke wijze de zorg voor mensen in grote nood op zich te nemen.
Met
nadruk moeten wij erop wijzen dat euthanasie geen
subjectief recht is. Ook al heeft een patiënt het recht erom te vragen, hij of
zij kan niet in rechte eisen dat aan zijn vraag wordt voldaan. De erkenning van
euthanasie als subjectief recht zou immers voor de arts of de instelling de
verplichting meebrengen elk verzoek om euthanasie in te willigen onder de door
de wetgever voorziene voorwaarden. Aangezien euthanasie echter geen subjectief
recht is, kan de toepassing van de huidige wet niet als een verplichting tot
inwilliging van een verzoek om euthanasie worden geïnterpreteerd. Een arts of
een instelling die de toepassing van euthanasie weigeren, schenden per se de wet
niet, evenmin als iemand die niet rijdt het verkeersreglement overtreedt. Wie
dat wenst, moet kunnen worden opgenomen in een instelling die waarborgen biedt
dat geen euthanasie zal worden toegepast. Daartoe is het nodig dat dergelijke
instellingen kunnen blijven bestaan. Uiteraard zullen ze alles in het werk
stellen om alle lijden te verzachten en zullen ze voor medische, affectieve en
geestelijke bijstand zorgen. Het is onaanvaardbaar dat artsen of instellingen
onder financiële of, erger nog, morele druk zouden gezet worden om hen tot het
toepassen van euthanasie te dwingen, een ingreep die, zoals gezegd, geen
medische handeling is en ook niet thuishoort in of aansluit bij palliatieve
zorg.
Uit
respect dienen de artsen of zorginstellingen aan de patiënt correcte en
volledige informatie
te verschaffen. Het
is hun plicht klaar en openlijk mee te delen of zij al dan niet bereid zijn
verzoeken om euthanasie in te willigen. Ook moeten zij kennis geven van de
voorzieningen inzake behandelingswijze of therapeutisch project, palliatieve
zorg, begeleiding
van terminaal zieken en van de gevolgde gedragscode bij verzoek om euthanasie.
In
een zo belangrijk domein zijn de grootste duidelijkheid en doorzichtigheid
vereist.
In
geen geval mag euthanasie worden beschouwd als een vorm van pijnbehandeling of
een middel om de verzorging van ongeneeslijk zieken te ontwijken. Ervaring leert
dat verzoeken om euthanasie meestal verdwijnen wanneer de zieke naast een
aangepaste medische behandeling ook een luisterend oor vindt en warme
genegenheid vanwege de omgeving. De overheid zal een inspanning moeten doen om
in alle zieken-, rust- en verpleeghuizen palliatieve verzorging mogelijk te
maken, zodat de patiënt overal kan rekenen op een behandeling die hem/haar bij
zijn/haar levenseinde goede zorgen en leedverzachting biedt.
Het
is de hoogste tijd dat wij, individueel, familiaal en maatschappelijk onze
verantwoordelijkheid erkennen tegenover hen die aan ondraaglijk lijden zijn
overgeleverd.
Aan
hun verzuchtingen beantwoorden wij op echt menselijke wijze door onze toewijding
en voortdurende zorg, en niet door hun leven te beëindigen.
Thierry
de Barsy (geneesheer, hoogleraar UCL), Olivier Depré (filosoof, hoogleraar
UCL), Philippe de Diesbach (bioloog, onderzoeker FNRS-UCL), Herman De Dijn
(filosoof, hoogleraar KULeuven), Mia De Schamphelaere (Senator CD&V), André
Geubel (geneesheer, hoogleraar UCL), Michel Ghins (filosoof, hoogleraar UCL),
Fernand Keuleneer (advocaat, plaatsvervangend lid van de federale controle- en
evaluatiecomissie euthanasie), Chantal Lefebvre (arts, hoogleraar UCL), Wilfried
Martens (Voorzitter EVP-Europese Volkspartij, Minister van Staat), Hugo
Vandenberghe (Senator CD&V, hoogleraar KULeuven), Fernand Van Neste (lid van
de federale controle- en evaluatiecommissie euthanasie), Herman Van Rompuy
(Minister van Staat),