Vote sur le projet de loi relative à la procréation médicalement assistée et à la destination des embryons surnuméraires et des gamètes
-
Dernières déclarations avant le vote en séance plénière de la Chambre des Représentants

 

La discussion générale est ouverte.

Jacques Germeaux rapporteur


Mijnheer de voorzitter, hoewel in een minder goede toestand na een zware opdoffer, gisterenavond, ben ik toch in staat thans dit verslag te komen brengen, zij het met grote moeilijkheden. Het was een serieuze opdoffer, mijnheer Wathelet. Het was een zware opdoffer.

Voor mij is dat een pijnlijke medische vaststelling. Ik merk dat heel wat aanwezigen dat leuk vinden en er plezier aan beleven en dat gun ik hen.

Ik zal proberen zowel voor de heer Chevalier als voor mezelf in het kort samen te vatten wat de werkzaamheden zijn geweest inzake dit wetsontwerp. Tijdens de besprekingen waren er interventies van de heer Monfils, van mevrouw Detiège, die ik hier niet meer zie, van de heer Bultinck, de heer Verhaegen, mevrouw Burgeon, mevrouw Salvi, die wel aanwezig is, mevrouw Tilmans, mevrouw Lejeune en de heer Mayeur. Voorts nog van mijzelf en enkele andere leden. Hun opmerkingen zijn uiteraard terug te vinden in het schriftelijk verslag.

Medisch begeleide voortplanting – of in het kort: MBV – is een geheel van nieuwe technieken voor begeleide voortplanting, zoals onder meer de kunstmatige bevruchting, de in vitro-fertilisatie, en heel wat andere. Het gebruik van die technieken is evenwel in ons Belgisch recht niet geregeld, behalve wat de zorgprogramma’s voor reproductieve geneeskunde betreft.

In algemene bewoordingen legt het ontwerp de doelstellingen vast van de technieken van MBV, de voorwaarden om er gebruik van te maken, de procedure, wat moet gebeuren met de overtollige gameten of embryo’s, en de straffen die van toepassing zijn bij de niet-naleving ervan.

Naar aanleiding van de hoorzittingen en de bespreking ervan in de werkgroep Bio-ethiek zijn er verschillende opmerkingen geformuleerd in de Senaat. Daaruit bleek onder andere de positieve tendens dat er nu eindelijk een wettelijk kader gecreëerd wordt voor een dergelijk belangrijk ethisch thema. Het kader blijft voldoende ruim en soepel, zodat er rekening gehouden kan worden met toekomstige ontwikkelingen die er zeker zullen komen, gelet op de medische vooruitgang.

Andere positieve punten zijn het wegvallen van de maximumleeftijd bij mannen, en donatie van gameten blijft in bepaalde gevallen mogelijk.

Niet onbelangrijk was de vraag van de verslaggever, hier aanwezig, na de algemene bespreking, aan professor Yvon Englert, om een uiteenzetting te geven over het lopende wetsontwerp. Professor Englert verduidelijkte het wetsontwerp door een wetenschappelijke benadering te geven van het toch niet altijd evident gebruikte jargon in het wetsontwerp en slaagde erin om op toch wel magistrale manier het wetsontwerp te situeren, en vooral ook om antwoord te geven op heel wat vragen die uit de amendementen bleken.

Het vorige wetsvoorstel werd vervolgens op 20 april en 4 mei 2005 besproken door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden. Tijdens de vergadering van 13 juli 2005 wijdde de commissie voor de Sociale Aangelegenheden een nieuwe bespreking aan de medisch begeleide voortplanting, ditmaal op basis van een aangepaste tekst waarin rekening werd gehouden met verschillende opmerkingen die tijdens de hoorzitting van 4 mei 2005 werden geformuleerd en die reeds de contouren bevatten van het wetsvoorstel dat later zou worden ingediend. De commissie stemde tijdens die vergadering mee in om dat wetsvoorstel als uitgangspunt te nemen voor de verdere bespreking van de problematiek van de medisch begeleide voortplanting.

Op 23 november werd inderdaad het wetsvoorstel betreffende de MBV en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten ingediend door de senatoren mevrouw Defraigne, de heer Vankrunkelsven, mevrouw De Roeck, de heer Mahoux en mevrouw Durant.

Na goedkeuring van de geamendeerde versie van dit voorstel werden de voorgaande voorstellen respectievelijk ingetrokken en vervallen verklaard.

Het huidige wetsontwerp dan. Wij zijn van mening dat de praktijk inzake medisch begeleide voortplanting afgebakend hoort te worden met respect voor de essentiële verschillen die iedere mens kenmerken. Hoewel de procedures voor de medisch begeleide voortplanting zeker eenvormiger en dus doorzichtiger mogen worden, is er sprake van dat er toegangscriteria zullen worden ingevoerd die niet voor iedereen op dezelfde wijze zullen worden geïnterpreteerd. Het voorstel geeft wat ruimte aan de arts of het geconsulteerde fertiliteitscentrum aangezien de gezamenlijke beslissing om over te gaan tot medisch begeleide voortplanting uiteindelijk stoelt op de noodzakelijke vertrouwensrelatie die tussen de geraadpleegde arts en de betrokken persoon of personen moet bestaan. Dit vertrouwen is een essentieel element dat enerzijds wordt gewaarborgd dankzij de controle die op de centra wordt uitgevoerd door de plaatselijke ethische comités en anderzijds dankzij de vrije keuze die de patiënt heeft bij het kiezen van de arts met wie hij het proces van de medisch begeleide voortplanting wil doorlopen.

Deze keuzevrijheid heeft twee gevolgen. Enerzijds de vrije keuze van de arts en dus ook van het bevruchtingscentrum dat een grotere transparantie veronderstelt op het vlak van de praktijken en de eenvormigheid van de procedures, anderzijds het feit dat de vrijheid om over te gaan tot medisch begeleide voortplanting een keuze veronderstelt wat betreft de bestemming van de boventallige embryo's. Daarnaast hebben wij ook de basisprocedures met betrekking tot gameten, gonaden, gonadendeeltjes en pre-implantatiediagnostiek in een tekst willen vastleggen.  

Voorts wordt er ook een regeling gezocht voor de prenatale implantatietechniek. De PID is deze waarbij de genetische kenmerken van embryo's in vitro worden geanalyseerd zodat alleen gezonde embryo's in de baarmoeder geplaatst worden en is dus bedoeld om de resultaten van in vitro fertilisatie te optimaliseren.

Eugenetische praktijken moeten in dat opzicht verboden worden. Daarom worden een aantal regels opgelegd.

Tot slot wil ik nog enkele positieve punten uit dit ontwerp toelichten. Voor verdere uitleg verwijs ik uiteraard naar het schriftelijke verslag, dat alleszeggend is.

Er wordt eindelijk een wetgevend kader gecreëerd, waarbinnen de technieken voorbehouden blijven voor erkende centra. Het gaat hier over een wetgevend kader dat verder gaat dan het louter omschrijven van medisch begeleide voortplanting. Het betreft ook het lot van de gameten, het afschermen van de gegevens van de donor, de boventallige embryo’s, zelfs de PID, een expliciete regeling voor de post mortem implantatie, enzovoort.  

Voorts is er geen leeftijdsvereiste voor mannen, wel voor vrouwen, aangezien zij mogelijk een gezondheidsrisico zouden overdragen. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen koppels. Zowel hetero-  als holebikoppels kunnen in aanmerking komen. Men kan vrij kiezen voor een arts. Er wordt een zekere doorverwijzingsplicht ingevoerd, indien men niet op het verzoek wil ingaan van medisch begeleide voortplanting.

Bij de bespreking van dit ontwerp werden geen amendementen aangenomen, ondanks de verwoede inspanningen van mevrouw Salvi, die soms op een emotionele manier haar ideeën trachtte te verdedigen. Er werd niet onmiddellijk rekening mee gehouden. Ik meen evenwel dat de tekst die ons werd overgestuurd door de Senaat antwoorden gaf – en wat professor Englert betreft, heel wat antwoorden – op de vragen die zij heeft gesteld. U was zeer actief aanwezig, mevrouw Salvi.

 De voorliggende tekst heeft dus een lange weg afgelegd. Een wettelijke regeling, zoals die nu voorligt, was noodzakelijk, gelet op de snelle evolutie in het domein. Tot nu toe werd dit niet door de wetgeving geregeld, maar wel door de praktijk.

 

Mark Verhaegen

Mijnheer de voorzitter, collega's, CD&V is altijd voor een wettelijk kader geweest in verband met de medisch begeleide voortplanting met het oog op een grotere kwaliteit en betere toegankelijkheid van alle mogelijke vruchtbaarheidsbehandelingen. In die zin heeft de medische wereld de laatste jaren een hoge vlucht genomen.

Wij leven erg mee met jonge koppels met vruchtbaarheidsproblemen. Het aantal mensen dat met fertiliteitsproblemen te maken heeft, neemt trouwens toe. Ik heb onlangs gelezen dat het in Vlaanderen al zou gaan om een op acht paren. Dit betekent niet noodzakelijk dat die mensen onvruchtbaar zijn, wel dat het langer dan normaal duurt om zwanger te worden. Toenemende fertiliteitsproblemen zijn vaak een gevolg van het uitstellen van de eerste zwangerschap tot nu een gemiddelde leeftijd van 28 jaar en dit door langere studietijd, hogere arbeidsdruk, zware investeringslast dikwijls ook voor de gezinswoning. Jonge gezinnen komen steeds later toe aan kinderen. Wij gaan dan ook voor een warm beleid dat jonge gezinnen ondersteunt en bemoedigt.

MBV is op dit ogenblik voor vele paren de enige hoop om hun kinderwens gerealiseerd te zien. Zij hebben vaak een hele periode van teleurstelling en verdriet achter de rug en het is dan ook een positieve zaak dat de medische wereld nu met verschillende vruchtbaarheidstechnieken in staat is om die kinderwens van mensen te realiseren. Dit wetsontwerp bevat, hoe kan het anders, een aantal positieve elementen: de uitdrukkelijke informatieplicht, de psychologische begeleiding van de wensouders, een betere controle op de centra voor MBV, de ethische filter met een verbod op eugenetica, op vrije geslachtskeuze en op commercialisering van embryo's en gameten. Dat wordt in onze fractie allemaal positief bevonden.

 Toch vragen wij, collega's, heel wat meer aandacht voor preventie en alternatieven voor deze toch wel vrij dure en ingrijpende behandelingen als in vitro fertilisatie (IVF) of intracytoplasmatische sperma-injectie (ICSI). Wij steunen de beslissing dat de labokosten van IVF sedert half 2003 worden terugbetaald. Dat is een goede maatregel, mijnheer de minister. De lat wordt vandaag echter wel laag gelegd. Men zal dan ook het risico hebben dat veel sneller naar die behandelingen wordt gegrepen, terwijl een goede medische praktijk eerst de oorzaken van de onvruchtbaarheid moet opsporen en eventueel behandelen. Het zou best een infectie of een obstructie kunnen zijn. Dit gebeurt best door specialisten op het gebied van zowel vrouwelijke als mannelijke infertiliteit. Pas daarna kan voor ons kunstmatige inseminatie dan wel IVF worden overwogen.

Wij vinden het ook goed dat de commercialisering van embryo’s en gameten door dit wetsontwerp wordt vermeden. Het is trouwens geen koopwaar waarover contracten kunnen worden gesloten. Het tot stand komen van embryo’s moet dan ook worden beperkt tot wat medisch noodzakelijk is.

Ook de post-mortemtechnieken vinden wij geen goed idee. Bewust kinderen verwekken die een ouder nooit zullen kennen, het zijn eigenlijk halve weeskinderen, is voor ons een fout signaal. Volwassenen leggen hier meteen een situatie op die voor de opvoeding niet de beste is. Het krijgen van een kind is bij voorkeur geen individueel project en zeker geen remedie om een rouwproces te verwerken. Daarvoor ligt het kinderwelzijn ons veel te na aan het hart. 

Collega’s, mijnheer de voorzitter, wij zijn in onze commissie al weken over dierenwelzijn bezig. Deze week was er nog een hoorzitting. Ik denk dat nu het moment is aangebroken om meer aandacht te vragen voor kinderwelzijn. Op mijn kritische vraag wat mannen met een aangemaakt embryo doen als hun vrouw plots overlijdt, bijvoorbeeld bij een ongeval, heeft de minister toegegeven dat hiermee de weg naar het draagmoederschap, naar de prenatale adoptie, wordt opengezet. Men opent dus eigenlijk de doos van Pandora. Ook zijn niet alle juridische implicaties van deze constructie in verband met erfrecht, afstamming, naamgeving, enzovoort, voldoende onderzocht.

Het ontwerp wil ook vasthouden aan de volledige anonimiteit van donoren van zaad- of eicellen. Wij willen de dubbele mogelijkheid invoeren: enerzijds donoren die te allen tijde anoniem wensen te blijven en anderzijds donoren wiens persoonsidentificerende gegevens op vraag van het opgroeiende kind mogen worden verstrekt. Elk kind heeft, voor zover mogelijk, het recht om zijn eigen roots, zijn eigen afstamming te kennen. Dat is trouwens ook vastgelegd in het Verdrag voor de Rechten van het Kind. Hieraan willen wij toch, in de mate van het mogelijke, tegemoetkomen door middel van een centrale registratie waarbij het kind de identiteit van de biologische vader kan opvragen vanaf 16 jaar via de wettelijke ouders. Wij hebben gezien dat de anonimiteit in andere landen meer en meer wordt losgelaten. Wij hebben in de commissie het voorbeeld van Nederland en Zweden aangehaald.

Ik vond het dan ook verwonderlijk dat ons amendement in de commissie werd verworpen, gezien de tekst rechtstreeks uit het regeerakkoord van juli 2003 komt. Ik citeer daaruit: “Het Parlement zal ook worden gevraagd onderscheid te maken bij spermadonors tussen zij die absoluut onbekend willen blijven en zij die er geen bezwaar tegen hebben later eventueel geïdentificeerd te worden op verzoek van betrokkenen”.

Omdat men toen nogal snel tot de stemming overging - het ging bijna om een impulsstemming - omwille van het late uur, geef ik de meerderheid nu de kans om hierop terug te komen. Ik wil de meerderheid hier vandaag van dienst zijn en doe daarom een nieuw aanbod door dit amendement opnieuw in de plenaire vergadering te brengen.

Het is goed dat er een wettelijke regeling komt voor de medisch begeleide voortplanting, maar deze moet zeker gekaderd blijven in het bestaande familierecht, in de internationale afspraken en binnen de bio-ethische normen.

In dit bio-ethisch dossier dreigt België geïsoleerd te geraken. Onze vraag in fine om jaarlijks een rapport van de fertiliteitscentra in het Parlement te kunnen bespreken, werd niet aanvaard, net zomin als al onze andere amendementen. 

Daarom vrezen wij dat de uitvoering op termijn zal afglijden en vervagen zoals ook in andere bio-ethische dossiers nogal eens gebeurt. De wet wordt uitgehold en van goede intenties komt weinig in huis. Dat moeten wij koste wat het kost vermijden en daarom dienen wij dit amendement opnieuw in.

Yvan Mayeur

Monsieur le président, monsieur le ministre, chers collègues, je voudrais remercier le rapporteur qui, avec certaines nuances, a bien décrit les travaux de la commission. C'est vrai que le projet de loi relatif à la procréation médicalement assistée et à la destination des embryons surnuméraires et des gamètes a provoqué un relatif débat éthique, où les considérations les plus étonnantes parfois ont été formulées.

Ce type de projet nous impose une certaine rationalité dans les arguments avancés. Ainsi, il est vrai que la plupart des praticiens n'étaient pas demandeurs d'une loi en la matière et les comités de bioéthique locaux fonctionnent par ailleurs très bien, à la satisfaction générale. 

J'ai dit, en commission, que je ne souhaitais pas soutenir un projet qui était en deçà de la pratique de terrain et heureusement, le projet qui nous est présenté respecte l'expérience menée sur le terrain depuis de nombreuses années. Il apporte d'ailleurs une reconnaissance à ces 25 ou 30 ans de pratique dans les centres de procréation médicalement assistée. De ce point de vue, on peut dire que la loi a une utilité.

Le projet de loi apporte à la fois un cadre clair, qui balise les pratiques liées à la procréation dans le respect des différences essentielles existant entre chaque être humain et les choix de chacun. Il laisse toute latitude aux praticiens et aux centres de fertilité exigeant toute confiance entre le médecin traitant et le patient en ce qui concerne les embryons surnuméraires et l'insémination post mortem. Il donne enfin une base légale au don d'ovocytes.

Chaque année, environ 12.000 fécondations in vitro sont réalisées dans les 11 centres de procréation médicalement assistée. Plus de 2.000 bébés naissent ainsi chaque année. Quel est le cadre légal pour ces pratiques jusqu'à aujourd'hui? Deux arrêtés royaux, l'un relatif aux normes des centres PMA et l'autre relatif au remboursement par l'INAMI. Fonctionnement donc satisfaisant fondé sur deux principes essentiels: la liberté médicale et le droit des patients.

La liberté d'entamer une procréation médicalement assistée suppose qu'un choix soit fait quant à la destination des embryons surnuméraires. Outre la réglementation purement procédurale et la gestion des embryons, le texte examine particulièrement une série de questions fondamentales portant sur la procréation, comme l'âge maximal autorisé pour procéder à une procréation médicalement assistée limitée à 45 ans, le don anonyme ou non anonyme des gamètes, l'explication des règles de filiation en cas de don, l'interdiction de commercialiser des gamètes et des embryons, l'eugénisme et le choix du sexe pour des raisons non médicales, les règles applicables à la recherche, l'insémination post mortem et les pratiques du diagnostic pré-implantatoire pour la conception d'un embryon doté de caractéristiques spécifiques, soit autant de clarifications nécessaires à une meilleure sécurité juridique et à un meilleur encadrement de ces procédures complexes.

Je voudrais également aborder d'autres aspects qui ont suscité des critiques et des commentaires en commission, voire même dans la presse.

Hier encore, l'épiscopat catholique s'émouvait parce que le projet de loi ne prendrait pas suffisamment en compte l'intérêt véritable de l'enfant arguant que la loi ne considère pas l'embryon "comme une fin en soi", mais comme "un moyen destiné à combler le désir d'enfant" et déplorant que l'enfant "fabriqué" par la science soit un orphelin biologique.

Ces arguments doivent, selon moi, êtres maniés avec prudence et un peu de retenue.

La loi sur la procréation médicalement assistée fait la synthèse de près de trente ans de pratique et de plus d'un siècle pour l'insémination artificielle. Les débats éthiques ont été nombreux dans le contexte d'une société mouvante au niveau des valeurs, mais aussi de la structure des familles.

Si la contestation des choix qui sont en passe d'être faits par le législateur est évidemment légitime pour chaque groupe social en ce compris l'épiscopat, il faut d'abord souligner que l'image idyllique de la famille traditionnelle que l'on voudrait nous proposer est aussi loin de l'expérience des psychothérapeutes d'enfants que l'image diabolisée qui transparaît dans toutes les autres familles divorcées, recomposées, homosexuelles ou issues de dons de gamètes anonymes qui sont aujourd'hui probablement plus nombreuses en Belgique que la famille classique à laquelle on fait référence.

La critique porte également sur l'autorisation d'accès des couples homosexuels et sur l'anonymat des donneurs de gamètes.

L'insémination artificielle des couples homosexuels se pratique, en Belgique, depuis les années '80. Les études de développement des enfants vont toutes dans le même sens, celui d'être parfaitement rassurant. Cet accès à la parentalité est un fait de société que le législateur a reconnu (loi sur le mariage des homosexuels, loi sur l'adoption des couples homosexuels) et qui reflète un souci de non-discrimination et de protection des personnes dans leur dignité et leurs droits, mais aussi et surtout de la sécurité juridique des enfants élevés dans ces familles plutôt que sur un jugement de valeur.

Il serait impensable aujourd'hui de revenir en arrière et de rejeter ces femmes dans l'opprobre, ce qui serait la conséquence immédiate d'une interdiction. Dans certains pays, jusque dans les années '70, les autorités judiciaires retiraient même leurs enfants à ces mères au titre de la défense des bonnes mœurs. Peut-être que les juges pensaient-ils, à l'époque, que c'était dans l'intérêt des enfants. Nous pensons, pour notre part, que ce temps est révolu.  

Je voudrais citer l'intervention du philosophe, François Dagognet,  interrogé récemment par un journalise du magazine "Le Point". François Dagognet explique que "l'homoparentalité" ne soulève qu'un seul problème d'importance rarement abordé. Faut-il pour les fondements de la morale sociale et du droit se fonder sur le biologique strict, c'est-à-dire la loi du sang, ou sur la responsabilité personnelle, le "conscientiel"?

Or toute la culture a consisté en France et ailleurs à écouter le sang et à ne pas prendre en compte ce que l'homme a décidé. En outre, dans ce domaine, on ne peut s'adonner à la demi-mesure. On accepte de mieux en mieux l'union de deux personnes du même sexe, on ne saurait refuser l'adoption à ce couple, et j'ajoute qu'on ne saurait refuser la procréation médicalement assistée à ce couple. L'accord au premier entraîne l'accord au second et celui-ci entraîne l'accord au troisième. On prétend alors que l'enfant souffrira de cette situation mais il faudrait plutôt redouter ce qui viendra des autres enfants qui sourient de ce qu'ils tiennent pour anormal alors que partout, on se livre à l'éloge de la différence. Et c'est cela qu'il faut soutenir: on n'est plus strictement dans les liens du sang mais dans le choix d'individus responsables, capables autant que les autres d'assumer le fait d'élever des enfants.

Une autre critique porte sur la garantie de l'anonymat des donneurs qui serait en contradiction avec la Convention internationale des droits de l'enfant, avec le droit des enfants à connaître leurs origines et avec leur bien-être psychologique. Le projet protège symétriquement les familles et les donneurs d'une ingérence injustifiée en établissant clairement qu'en aucun cas il ne peut être établi de liens de parenté entre l'enfant et le donneur. Parfaitement autorisé dans le texte, le don sans anonymat est cependant très difficile à réaliser sans que l'autre clarification ait lieu. En effet, quelle insécurité juridique pour le donneur s'il pouvait se voir imposer un jour une paternité, une maternité, mais aussi quelle insécurité pour la famille receveuse si un jour le donneur pouvait venir réclamer une paternité, des droits sur l'enfant en raison de l'origine génétique.

La disposition proposée rappelle que les donneurs ne sont pas des parents parce qu'ils posent un geste solidaire vis-à-vis des personnes qui ont – elles – un projet d'enfant que ce don leur permet de concrétiser, faisant de ces derniers les parents de l'enfant qu'ils mettent au monde. C'est donc presque par l'absurde qu'on peut démontrer que la référence à la Convention internationale des droits de l'enfant est inappropriée pour s'opposer au don anonyme. En effet, l'article 7 paragraphe 1er de la Convention dit textuellement ce qui suit: "L'enfant est enregistré aussitôt sa naissance et a, dès celle-ci, le droit à un nom, le droit d'acquérir une nationalité et, dans la mesure du possible, le droit de connaître ses parents et être élevé par eux.".

À moins de considérer le donneur de gamètes comme un parent – alors, conformément à la Convention, ce serait à lui d'élever l'enfant –, il est évident que cette disposition vise les receveurs de gamètes, au même titre que chacun d'entre nous lorsque nous mettons un enfant au monde par les voies naturelles. La grossesse et l'accouchement font une mère et du compagnon de celle-ci un père, ce qui n'est pas le cas du don de gamètes. Le droit d'accès aux origines est une notion, il est vrai, de plus en plus valorisée. Pour certains, l'accès à l'identité du donneur sans qu'il y ait pour autant un lien de filiation devrait en faire partie.

Toutefois, cette affirmation est loin d'être étayée et partagée par tous. De plus, les pays comme la Suède qui ont interdit l'anonymat sont parfois confrontés à des conséquences négatives ou à des effets pervers: la diminution catastrophique des donneurs, qui craignent d'être un jour considérés comme parents, et le départ des patientes vers les pays limitrophes pour éviter que leur famille soit enregistrée comme étant constituée par don de gamètes.

Il est remarquable que, non seulement, cette tendance à un désir social de don non anonyme soit prise en compte dans le projet, mais que celui-ci s'intéresse aussi à l'ouverture à plus de liberté pour les futurs parents qui sont, au final, les plus compétents et les plus aptes à opérer les choix qu'ils pensent être bons pour leurs enfants - au-delà des polémiques abstraites et pour autant qu'ils trouvent des candidats donneurs prêts à s'insérer dans un programme non anonyme.

Ainsi, c'est l'évolution de la culture et de la société qui dira quelle solution, de l'anonymat ou du don connu, détient, non la vérité, mais la meilleure adéquation au temps et aux techniques de procréation assistée.

Je terminerai, monsieur le président, monsieur le ministre, chers collègues, en rappelant que, dans notre société démocratique et pluraliste, personne ne peut être contraint à s'engager dans une procédure qui ne corresponde pas à ses principes éthiques; mais que celui qui s'y engage doit être libre de choisir, protégé dans ses choix, être mis au courant de ses droits, et qu'il puisse voir ces derniers intégralement respectés.

Koen Bultinck

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, ik denk dat het wetgevend initiatief, dat oorspronkelijk uit de Senaat komt, dat hier voorligt een zeer belangrijk werkstuk is. Ik wil vanuit onze fractie direct ook zeer duidelijk zeggen dat we ten volle beseffen dat we terechtgekomen zijn in een pluralistische maatschappij en dat we daar als niet-confessionele partij ook totaal geen enkel probleem mee hebben. Toch is en blijft het debat over dit ontwerp voor ons wel degelijk een zeer gevoelig ethisch debat.  

Mijnheer de minister, u zult zich herinneren dat we van bij het prille begin van de discussie zeer duidelijk gezegd hebben dat het hier voor ons gaat om respect voor het menselijk leven. Respect voor het menselijk leven heeft ook te maken met het zeer delicate van de procreatie binnen het menselijk leven. Dat is iets anders dan zomaar een discussie voeren over zomaar een aantal materiële zaken, over dierenwelzijn of god weet welke items. Voor ons is dit een debat – laat het ons maar duidelijk stellen – dat kadert binnen het brede waarden- en normendebat dat nu terug een beetje aangezwengeld wordt.

Mijnheer de minister, ik zeg heel eerlijk – u hebt mij dat ook in de commissie horen doen – dat ik behoor tot diegenen die het al van bij het begin van hun parlementaire carrière aandurfden om ook uw voorganger, minister Frank Vandenbroucke, over die problematiek te ondervragen met zeer concrete mondelinge vragen over dit thema. Ik behoor tot diegenen die de terugbetaling van abortusbehandelingen zeer duidelijk in vraag durfden stellen op een moment waarop de ganse terugbetaling met betrekking tot de medisch begeleide voortplanting nog niet eens gerealiseerd was. In die zin zeggen we zeer duidelijk dat we gelukkig zijn met een verbetering van de regels met betrekking tot de terugbetaling via het RIZIV inzake medisch begeleide voortplanting. We hebben die evolutie altijd ondersteund.

We hebben daaraan echter een aantal ons inziens terechte nuances aangebracht. Ik denk dat we bijvoorbeeld ook het debat moeten voeren dat bijvoorbeeld door de Wereldgezondheidsorganisatie op gang is gebracht. Dat stelde zeer duidelijk dat we moeten nagaan of het niet goed zou zijn om koppels die met een terechte kinderwens zitten en naar medisch begeleide voortplanting moeten grijpen eerst te laten overwegen of het bijvoorbeeld niet handiger en praktischer zou zijn om eerst een aantal technieken van kunstmatige inseminatie uit te putten vooraleer te gaan naar een voor die koppels fysiek en psychisch zeer zware behandeling van in vitro fertilisatie. Dit zou voor de betrokkenen wel degelijk een terechte overweging kunnen zijn.

Mijnheer de minister, in die zin kom ik terug op een vraag waarop het antwoord mij nog altijd wat onduidelijk blijft omdat er geen concreet antwoord gekomen is. We hebben ook u in het recente verleden zeer duidelijk ondervraagd over de mogelijke terugbetaling van KI. U hebt toen in uw antwoord zeer duidelijk gezegd dat u bereid bent om die opportuniteit na te gaan en dit als minister te overwegen.

Mijnheer de minister, ik zou nogmaals een poging willen doen om een antwoord te krijgen op mijn vraag in welke mate u de opportuniteit al dan niet wil overwegen.

De voorzitter: Mijnheer de verslaggever, er was een periode waarin de verslaggever naast de minister op de eerste bank plaatsnam. Vanop die plaats verdedigde hij het verslag en gaf hij antwoorden op basis van het commissiegebeuren zelf. Misschien moeten wij naar voornoemd gebruik terugkeren.

Jacques Germeaux rapporteur

Mijnheer de voorzitter, ik heb niet meer maar ook niet minder de pretentie om dat te doen. Ik heb plaatsgenomen achter de minister. Ik ben ook niet van plan om het debat, zoals het in de commissie werd gevoerd, te herdoen.

Mijnheer Bultinck, toch wil ik even terugkomen op het in de commissie gevoerde debat.

Het was het doel waarom professor Englert werd gevraagd om het wetsontwerp te kaderen. Het doet mij dus pijn nu te moeten horen dat, ondanks het verslag en de deskundige uitleg die professor Englert gaf, nog altijd principes en wetenschappelijke termen als kunstmatige inseminatie en in-vitrofertilisatie door elkaar worden gegooid.

Ik treed even in uw redenering.

U stelt nog steeds dat “men eerst zou moeten doen dat …”. Kunt u zich voorstellen dat elk koppel dat zou moeten doormaken? De discussie daarover werd gevoerd. Elk koppel dat zich voor in-vitrofertilisatie aanbiedt, is al door een hel gegaan.

Kunstmatige inseminatie is een term die wij uit de veeartsenij halen. Kunstmagie inseminatie gebeurt wel op een bepaalde manier, maar elk betrokken koppel is dat stadium reeds voorbij. Ik verwijs naar het verslag, vooral naar de uiteenzetting van de heer Englet. U keert terug naar begrippen, analyses en principes die niet bestaan en die niet van toepassing zijn. U wil opnieuw in vraag stellen of dat wel kan. U vraagt zich af of er geen andere oplossingen zijn.

Ik kan bevestigen wat in het verslag stond en door professor Englert werd gesteld. Om het even welk koppel, dat tot in-vitrofertilisatie overgaat – dat wil zeggen tot andere dan de klassieke methodes, want uiteindelijk is kunstmatige inseminatie een klassieke methode, mijnheer Bultinck – heeft ondertussen een jaar tot anderhalf jaar de hel doorlopen.

De bedoeling van het wetsontwerp en de zaken waarover u spreekt, hebben niet echt met elkaar te maken.

Koen Bultinck

Mijnheer Germeaux, met alle respect, wij doen hier een onnodige poging om elkaar verkeerd te begrijpen. Wat bedoel ik daarmee?

U hebt mij geenszins namens mijn fractie horen zeggen dat wij een rem op medisch begeleide voortplanting en op technieken zoals IVF willen plaatsen. Laten wij elkaar goed begrijpen. Wij vinden wel – wij staan niet alleen met die mening – dat wij de moed moeten hebben om te zeggen wat ook de Wereldgezondheidsorganisatie zegt. Gezien de psychisch en fysisch heel zware IVF-procedure is het goed dat wij koppels die met dat soort problemen te kampen hebben, eerst even op een aantal andere mogelijkheden, zoals kunstmatige inseminatie, wijzen.

Laten wij elkaar heel goed begrijpen. Ik durf eerlijk het volgende te zeggen en durf dat ook als een van mijn persoonlijke verdiensten van mijn parlementaire loopbaan te beschouwen. Wij hebben dat soort technieken altijd verdedigd. Wij hebben namens onze fractie altijd gezegd dat wij oneindig veel respect hebben voor mensen die naar de technieken van medisch begeleide voortplanting moeten grijpen.

Het zou dus totaal ongepast zijn hier de indruk te wekken dat we mekaar hier onnodig verkeerd moeten begrijpen. We moeten echter terecht zeggen dat het goed is om de overweging te maken die ook gemaakt wordt door de Wereldgezondheidsorganisatie. We moeten namelijk mensen correct inlichten over een aantal andere mogelijkheden die iets minder ver gaan dan de klassieke IVF-procedure.

Mijnheer de minister, daarom zou ik, als dat kan, vandaag graag een antwoord krijgen op de vraag hoe het dossier staat met betrekking tot de terugbetaling van KI en of u daar de opportuniteit die u in een antwoord naar voren bracht reeds ernstig hebt bekeken.  

Mijnheer de minister, collega's, als we de feitelijke vaststelling en vooral de wetenschappelijke vaststelling maken, dan komen we allemaal tot dezelfde vaststelling, namelijk dat, dit werd ook zeer recent door fertiliteitspecialist Paul Devroey bevestigd, dat een aantal mensen, een aantal personen vruchtbaarheidsproblemen heeft.

Enerzijds heeft dat te maken met de feitelijke vaststelling dat de eerste zwangerschap, onder andere vanwege carrièreplanning, maar ook om een aantal andere redenen, iets langer wordt uitgesteld dan vroeger gebruikelijk was. Het is niet aan ons om ons daarover uit te spreken. Dat is een maatschappelijke evolutie. Dat is het gevolg van een maatschappelijke evolutie. We moeten hier echter toch een wetenschappelijke en feitelijke vaststelling maken.

Anderzijds is er ook de volgende factor waar we ook niet onderuit kunnen. Recent was daar via een specialist iets beter nieuws voor de mannelijke vruchtbaarheid. Het gaat over de invloed van milieufactoren. Het is de laatste jaren volgens wetenschappelijk onderzoek op dat vlak een beetje gebeterd. Dat is voor ons mannen goed nieuws. Een deel van die problemen lag echter wel degelijk aan een afnemende mannelijke vruchtbaarheid, waardoor men naar dat soort van technieken moet grijpen.

Laat het zeer duidelijk zijn - ik wil dit nog eens zeer uitdrukkelijk zeggen ter attentie van collega Germeaux – dat ook het Vlaams Belang als fractie overduidelijk beseft dat om te voldoen aan die kinderwens voor een aantal koppels de laatste mogelijkheid wel degelijk de techniek van medisch begeleide voortplanting is. Collega Germeaux, namens mijn partij zeg ik ook zeer duidelijk dat wij daarvoor oneindig veel respect hebben en steeds degenen geweest zijn die daar een pleidooi gehouden hebben voor een betere terugbetaling. Het is goed dat er daarover geen onduidelijkheid zou gecreëerd worden vandaag.

Jacques Germeaux rapporteur

 

Mijnheer de voorzitter, ik wil het volgende zeggen. Ik was daarnet aangenaam verrast toen ik de CD&V-fractie hoorde en ik ben nu aangenaam verrast wanneer ik de opmerkingen van de Vlaams Belang-fractie hoor.

Wij zijn dertig jaar later. Als er geen wettelijk kader is of was, heeft dat vooral te maken met de mentaliteit - ik kijk even naar de heer Mayeur - van dertig jaar geleden. Dit was toen uit den boze. Ik roep hier het episcopaat niet bij de hand, maar in bepaalde universiteiten was in vitro fertilisatie verboden door de godsdienst. Ik spreek anno 1982. Dat is begonnen op een risicovolle manier.

Het verheugt mij vandaag te horen dat u vijfentwintig jaar later mee op de trein springt en de Verlichting, de waarheid, ziet. Als het episcopaat de macht had gehad, was er in België geen in vitro fertilisatie geweest. Ik ben blij te horen dat u en de vorige spreker op die trein springen en u daarbij aansluiten.

Koen Bultinck

Collega Germeaux, het verwondert mij dat u verbaasd bent over ons. Ik ben een vertegenwoordiger van een niet-confessionele partij. Bij ons kan een dergelijk debat zonder enig probleem.

Ik zal nog meer zeggen. De minister kan bevestigen dat ik dit ook in de commissie heb gezegd. Ik zeg, namens mijn fractie, dat we voorstander zijn van een wettelijke regeling zoals die vandaag voorligt, maar met een aantal belangrijke nuances. In die regeling moet echter een aantal belangrijke details drastisch worden bijgestuurd.

Onze fractie is voorstander van een duidelijke wettelijke regeling. Het ontwerp zoals door de Senaat overgezonden, zorgt voor betere en strengere regels dan de nu bestaande regeling voor de Centra voor Medisch Begeleide Voortplanting die in een aantal koninklijke besluiten was omschreven.

Dit is positief. Uit ons stemgedrag zal ook blijken dat wij dit als een positief element beschouwen.

Collega Germeaux, dit wil niet zeggen dat het Vlaams Belang plots de Verlichting zou hebben ontdekt. Wij erkennen dat wij leven in een pluralistische maatschappij. Dit is voor ons geen enkel probleem. Ik kan u garanderen dat binnen onze partij mensen van allerlei filosofische gezindheden heel goed met mekaar kunnen samenwerken.

Een belangrijk punt in het voorliggende ontwerp betreft het debat dat wij in de commissie hebben gevoerd over de vrijheid en de beleidsopties van de vruchtbaarheidscentra met betrekking tot de toegankelijkheid van het hele dossier. Wij nemen akte van het feit dat de hele problematiek wordt geregeld met een gewetensclausule.

We moeten de moed hebben om de afweging te maken van de vrijheid van een persoonlijk initiatief tegenover de controlerende taak van de overheid.

Daar verschillen wij dan wel, collega Germeaux, fundamenteel van mening. Ik besef ten volle het risico om dat soort uitspraken nog te doen in dat soort dossiers in deze politiek correcte tijden. Wij hebben zeer duidelijk gezegd dat wat ons betreft NBV inderdaad een regeling die wij zien in het kader van medische hulpverlening. Wij willen dit strikt beperkt zien tot heteroseksuele relaties. Op dat vlak verschillen wij inderdaad van mening, dat is zeer duidelijk.

Ik zeg anderzijds ook zeer duidelijk dat wij tevreden zijn met de leeftijdsbeperking zoals ze nu in artikel 4 van het voorliggende ontwerp werd vastgesteld. Wij hebben recent een aantal voorbeelden gezien waarbij in Europa een aantal oma's kinderen hebben gebaard. Het lijkt mij goed dat in het voorliggende ontwerp duidelijke leeftijdsbeperkingen werden opgenomen die wetenschappelijk verantwoord zijn, al was het maar omdat ieder van ons die het dossier een beetje kent, weet dat boven de leeftijd van 40 jaar er op wetenschappelijke basis kan worden aangetoond dat er zeer duidelijk bijkomende problemen kunnen optreden bij een zwangerschap. Ook daar onderschrijven wij zeer duidelijk die leeftijdsbeperking in het voorliggende ontwerp.

Over een ander element in het debat, mijnheer de minister, kunnen wij zeer vlot overheen gaan omdat dat deel van het debat wel degelijk uitgeklaard is in de commissie. Het betreft het debat dat wij hebben gevoerd over de al dan niet anonimiteit van de donoren. Dit was een belangrijk debat in het ontwerp. Ik denk dat in de commissiewerkzaamheden zeer duidelijk is uitgeklaard dat onder een aantal zeer strikte voorwaarden de anonimiteit voor donatie van gameten wel degelijk kan worden opgeheven. Die anonimiteit blijft echter te allen tijde behouden voor embryodonatie. In die zin is dat belangrijke debat in de commissie uitgeklaard.

Een element waarbij wij wel zeer grote vraagtekens plaatsen en waarop wij wel veel kritiek hebben, mijnheer de minister, is heel het item van post mortemimplantatie van embryo's en post morteminseminatie. Wij hebben toen zeer duidelijk gesteld dat dit toch wel zou kunnen overkomen als het invoeren van een soort discriminatie tussen vruchtbaren en onvruchtbare personen. Het is toch wel een zeer merkwaardig gegeven dat daardoor uiteindelijk voortplanting na de dood onder een aantal voorwaarden mogelijk wordt. Ik denk dat wij als fractie er terecht zeer grote vraagtekens bij plaatsen. Voor mensen met iets minder correcte bedoelingen kan dit toch wel een aantal achterpoortjes openen. In die zin zijn wij niet echt enthousiast – ik druk mij zeer voorzichtig uit – betreffende die post mortemimplantatie. Onze fractie plaatst hier zeer grote vraagtekens bij.

Wij voelen ons in die kritiek gesterkt door het juridische argument. Ik verwijs dan naar artikel 27 van het ontwerp dat de bepalingen bevat met betrekking tot afstammingsrecht. In dat artikel staat zeer duidelijk, ik citeer: "… op een bepaald moment spelen de afstammingsregels in het voordeel van de toekomstige ouders." Dit is toch een artikel dat zeer vaag is en aanleiding kan geven tot allerlei problemen met betrekking tot het afstammingsrecht. Dit is niet het beste wetgevend werk dat wij hier vanuit de commissie hebben gecreëerd.

Wij hadden het inderdaad liever anders gezien. Ik meen dat ook de collega’s van de commissie voor de Justitie zullen zeggen dat de commissie voor de Volksgezondheid hier juridisch niet het beste werk afgeleverd heeft.

Mijnheer de minister, het is wel positief dat er met dit ontwerp een volledig verbod komt op de commercialisering van embryo’s en gameten. Ik meen dat het zeer goed is dat ook onze fractie volmondig bevestigt dat dit een van de zeer positieve elementen in het vandaag voorliggende ontwerp is.

Ik wil nog even op een ander belangrijk deel ingaan, namelijk de problematiek van de overeenkomst die tussen de betrokkenen gesloten moet worden, als er sprake is van boventallige embryo’s. Ik meen dat deze problematiek zeer duidelijk en goed geregeld moet zijn. Dat is ook gebeurd in het voorliggende ontwerp. Het kan niet de bedoeling zijn dat overtallige embryo’s per definitie absoluut bij het wetenschappelijk onderzoek moeten terechtkomen.

Ik heb daarover een tweede, zeer concrete vraag, mijnheer de minister. Of wij het nu willen of niet, dit ontwerp is zeer duidelijk gelinkt met de wet van 11 mei 2003, betreffende het wetenschappelijk onderzoek op embryo’s in vitro. Ook in het recente verleden was het nog niet helemaal duidelijk. Er zijn een aantal problemen geweest met de samenstelling van de federale controle- en evaluatiecommissie. Zijn die problemen op dit ogenblik van de baan? Is dat belangrijk controle-element, dat hier in de vorige legislatuur goedgekeurd werd, op dit ogenblik wel degelijk afgehandeld? Het zou goed zijn als u ons vandaag daarover enige duidelijkheid kunt geven.

Ik wil ook nog even het element van de Conventie van de rechten van de mens en de biogeneeskunde aanhalen. Ik grijp terug naar de eerste mondelinge vraag in mijn parlementaire loopbaan in dit huis, mijnheer de voorzitter. Dat geeft altijd een specifiek gevoel voor een parlementslid. Op 19 oktober 1999 ondervroeg ik de toenmalige minister over de ondertekening van de Conventie van de rechten van de mens en de biogeneeskunde.

Mijnheer de minister, u kent het standpunt van onze fractie al zeer lang. Wij hebben altijd betreurd dat België deze Conventie niet heeft willen ondertekenen. Het zou goed zijn, mocht u vandaag, naar aanleiding van deze bespreking, toch nog eens de argumentatie daarvoor willen geven. Ik hoop in alle stilte, maar ik vrees dat wij ons aan het einde van deze legislatuur niet te veel illusies moeten maken, dat er in dit dossier toch nog een wijziging van de houding van de Belgische overheid mogelijk is.

Mijnheer de voorzitter, als u het mij toelaat, zou ik van deze bespreking ook gebruik willen maken om nog even kort onze amendementen toe te lichten.

De voorzitter: Dat is geen probleem. Doet u maar.

Koen Bultinck

  U weet dat onze fractie twee fundamentele, principiële amendementen ingediend heeft. Mijnheer de minister, u weet dat wij daarover van mening verschillen. Ik denk dat dit ook vandaag zo zal blijven. Het eerste principiële amendement dat wij hebben ingediend, is een verduidelijking die wij in artikel 4 willen aanbrengen.

Voor onze fractie behoren de technieken van medisch begeleide voortplanting inderdaad tot de medische zorgverlening om mensen met een uitdrukkelijke kinderwens te kunnen helpen, onder de strikte voorwaarde – daarin verschillen wij van mening, collega Germeaux – dat het moet gaan over stabiele, heteroseksuele koppels. Voor ons mag MBV duidelijk geen alternatieve voortplantingswijze worden, maar moet het het menselijk probleem van onvruchtbaarheid of steriliteit bij mensen met een uitdrukkelijke kinderwens helpen oplossen.

Het tweede zeer belangrijk amendement, dat wij voor de plenaire vergadering opnieuw hebben ingediend, betreft de problematiek van de pre-implantatiediagnostiek. In de titel van het betrokken hoofdstuk zouden wij veel liever tot uiting zien komen dat pre-implantatiediagnostiek in principe, als algemene regel, verboden is, terwijl het slechts in zeer uitzonderlijke voorwaarden toegestaan is. Dat is uiteindelijk ook in het ontwerp ingeschreven. Ik denk dat het goed is dat wij bij wijze van amendement de titel verduidelijken, al was het maar om concreet gestalte te geven aan onze visie ter zake.

Afrondend mijnheer de minister, collega's, zeg ik zeer duidelijk dat onze fractie zich straks bij de stemming, net zoals in commissie, zal onthouden, omdat wij de algemene principes wel onderschrijven en zeer duidelijk erkennen dat het ontwerp een verbetering is ten opzichte van de huidige regeling, maar de uitwerking ervan in het ontwerp zoals het uit de Senaat komt, voor ons toch nog op een aantal punten kon bijgestuurd worden.

Jacques Germeaux rapporteur

Bij onthouding is er niet veel vruchtbaarheid, mijnheer Bultinck.

De voorzitter: Het is waarschijnlijk een kunstmatige onvruchtbaarheid.

Mark Verhaegen

Mijnheer de voorzitter, ik heb gewacht tot collega Bultinck uitgesproken was om even te reageren op hetgeen collega Germeaux gezegd heeft.

Collega Germeaux, u plaatst ons in het verleden. Als respect voor het lot van het geboren of ongeboren kind een retour naar het verleden is, wil ik graag in die teletijdmachine stappen.

Onze visie is gestoeld – ik heb dit ook trachten aan te tonen – op medeleven en respect voor koppels in een crisissituatie, die al het mogelijke gedaan hebben en willen doen om hun kinderwens te vervullen. Ik vind het goed dat de medische wetenschap ter hulp komt. Ik vond het ook goed dat er een wettelijk kader was.

Wat me wel stoort, is het exposé van collega Mayeur, die alles bekijkt vanuit het oogpunt van de volwassene. Hij ziet het kind bijna als een instrument om wensen van volwassenen te vervullen. Zo laat men kinderen een moeilijke start nemen, terwijl dat eigenlijk helemaal niet hoeft. Dat is niet nodig, want er zijn andere mogelijkheden.

Véronique Salvi

Monsieur le président, monsieur le ministre, chers collègues, dans le cadre de ce débat, et dès le départ au Sénat, le cdH s'est montré favorable à l'adoption d'une législation qui encadre la procréation médicalement assistée. En effet, ces pratiques existent déjà sur le terrain depuis plus de 20 ans – et non pas un siècle, comme l'a dit M. Mayeur tout à l'heure – et il nous semble important de pouvoir leur donner un cadre légal aujourd'hui.

Nous soutenons par ailleurs plusieurs des principes contenus dans le projet. Tout d'abord, l'interdiction de tout acte de commercialisation des dons de gamètes ou d'embryons; l'interdiction de tout don, toute recherche ou tout diagnostic génétique préimplantatoire à caractère eugénique ou axé sur le sexe; le maintien de la liberté accordée aux centres de fécondation d'invoquer une clause de conscience à l'égard des demandes qui leurs sont adressées. C'est ce qu'on appelle communément le droit d'appréciation. Ainsi, demain, l'équipe médicale sollicitée pourra répondre au mieux aux attentes des demandeurs d'aide à la procréation, en fonction de leurs moyens et de leur spécialisation.  

Néanmoins, monsieur le ministre – vous le savez car je l'ai suffisamment dit en commission –, le texte qui nous est proposé nous pose un problème fondamental: celui de la fécondation post mortem. C'est la raison pour laquelle nous nous abstiendrons sur l'ensemble du texte.

En effet, le projet prévoit la possibilité d'une implantation post mortem d'embryons surnuméraires et l'insémination post mortem des gamètes surnuméraires. Pour nous, la mort met un terme définitif à toute volonté de conception puisque le couple n'existe plus. La possibilité de recourir au post mortem donne ainsi l'autorisation consciente de donner naissance à un orphelin. Selon les experts auditionnés au Sénat – et ils étaient très clairs à ce sujet –, la fécondation post mortem fait peser sur l'enfant un poids beaucoup trop lourd à porter: celui d'être toute sa vie celui qui a permis à la mère de faire le deuil de son conjoint défunt. Il est donc extrêmement dangereux de soumettre une telle pression à l'enfant, une espèce d'attente réparatrice. 

Par ailleurs, comme je l'ai déjà relevé en commission, le texte nous pose également une série de questions, toujours liées à l'intérêt et à l'identité de l'enfant à naître.

D'abord la question de l'anonymat du don d'embryon n'a fait l'objet d'aucune réflexion ou discussion sérieuse en commission. On l'a déjà rappelé, tant l'article 7 de la Convention des droits de l'enfant que la Convention européenne des droits de l'homme attachent de l'importance à la possibilité pour une personne de connaître son origine personnelle, en ce compris ses origines biologiques ou génétiques. En donnant des embryons ou des gamètes, le donneur ou la donneuse transmet davantage que du simple matériel biologique. Sans remettre en question l'importance du lien socio-éducatif qui se crée et se développe après la naissance, l'origine biologique d'une personne fait partie intégrante de son identité. Le fait de pouvoir répondre à la question "De qui je viens?" est important.

La question de l'identité de l'enfant à naître se pose également dans le cas, laissé ouvert par le projet, dans lequel une femme seule recourt à la PMA. De quelles références l'enfant né d'une personne seule disposera-t-il? Par ailleurs, qu'en est-il des hommes seuls? Puisque, techniquement, oserais-je dire, il ne leur est pas encore possible de porter leur enfant – vous ne pouvez pas me contredire –, la question des mères porteuses reste ouverte.

Sans remettre en question le bonheur des familles monoparentales, nous nous posons tout au moins la question de savoir si, dans l'intérêt de l'enfant, la loi ne devrait pas exclure la possibilité de recourir au départ à la procréation en dehors d'un projet de couple.

Enfin, le projet autorise le diagnostic génétique préimplantatoire dans l'intérêt thérapeutique d'un enfant déjà né, sans toutefois fixer des conditions d'encadrement. C'est sur ces conditions d'encadrement que nous souhaitions nous attarder.

Cette notion nous semble aussi un peu faible. Comment garantir de manière plus précise, par exemple, que le DPI ne soit pas instrumentalisé à des fins médicales dans un contexte de relative fragilité de certains couples? Il nous paraît plus adéquat de faire figurer dans une loi spécifique, contenant une définition complète du DPI, les conditions d'application de celui-ci et, éventuellement, les conditions d'application complémentaires plus strictes prévues en cas d'application du DPI, dans l'intérêt thérapeutique d'un enfant déjà né.

Pour toutes ces raisons, monsieur le ministre, le cdH s'abstiendra sur ce texte.

Miguel Chevalier

Collega's, toen de Kamervoorzitter de lijst van de sprekers vastlegde, zei hij mij dat ik aan de beurt zou komen vóór de ervaring – de heer Monfils – en na de charme – mevrouw Salvi.

De voorzitter: Ik heb dat privé gezegd.

Miguel Chevalier

Ik sta altijd open voor de opmerkingen van een wijs man als de Kamervoorzitter, maar ik moet eerlijk toegeven dat ik het af en toe bijzonder koud kreeg toen ik hier vandaag een aantal uitspraken hoorde. Vooral bij de inleiding tot het ontwerp heeft de minister heel duidelijk gezegd dat de praktijk inzake medisch begeleide voortplanting diende afgebakend te worden in alle sereniteit, buiten emotie en dringendheid, met respect voor de essentiële verschillen die iedere mens kenmerken.

Ik dank de specialist en verslaggever van de commissie. Het is soms goed en noodzakelijk dat men een dokter in de buurt heeft. Samen met dokter Germeaux en andere collega's met een degelijke wetenschappelijke basis hebben we dit in de commissie kunnen doen in alle sereniteit. Tegelijk hebben we moeten vaststellen dat er nog altijd een aantal interpretaties en filosofieën zijn die er vooral op gericht zijn de vrijheid van de mens te beperken, om in te gaan tegen de mogelijkheid die dergelijke wet biedt, om individuele keuzevrijheid te benutten ongeacht de eigen morele of filosofische overtuiging.

Deze wet legt een duidelijk kader vast en legt duidelijk beperkingen op inzake commercialisering en handel van gameten, donoren en embryo's. Tegelijk worden aan mensen opportuniteiten aangereikt om het leven zoals men dat gestalte wenst te geven, dankzij deze wet vorm te geven. De vraag is of we de mensen dit houvast geven en hen laten kiezen voor dit perspectief, dan wel of we hen veroordelen tot blijvende kinderloosheid. Ik heb tijdens de discussies en de interpellaties vastgesteld dat een aantal leden in de commissie een soort morele kramp vertonen. Het kon niet beter worden uitgedrukt dan door de heer Verhaegen die zei: "Wij leven mee". Ik krijg het dan koud. Als iemand tegen mij vanuit die filosofische overtuiging tegen mij zegt: "Ik leef met u mee", dan krijg ik enorm veel angst. Dan weet ik dat dit meestal eigenlijk eindigt in iets heel passiefs met schouderklopjes, maar dat men uiteindelijk toch een opsplitsing maakt tussen mensen die niets nodig hebben om van nature kinderen te krijgen en anderen die worden afgeremd door de natuur.

De heer Germeaux en andere collega's hebben vooral de voordelen van deze wet in kaart gebracht. Ik zou het toch nog eens willen hebben over de verschillende aanvullingen en mogelijke amendementen die we vanuit de oppositie hebben gekregen. Een eerste punt is dat men de notie "stabiele relatie" probeerde te introduceren.

De vraag is natuurlijk of een stabiele relatie noodzakelijk is om aan medisch begeleide voortplanting te doen. Wat is een stabiele relatie? Is dat meetbaar in de tijd? Is dat kwantificeerbaar? Is een relatie pas na twee jaar gestabiliseerd? Is men dan pas rijp om te beginnen denken over een kinderwens? Ik ken mensen die niet veel tijd nodig hebben om vast te stellen dat ze met elkaar verder willen in het leven. Ik stel ook vast dat er mensen zijn die elkaar twee jaar kennen en die meer met elkaar zijn verbonden door gemeenschappelijke schulden dan door affectie. Ik vraag mij ook af wat men in die twee jaar dan doet? Ik lees vandaag in De Morgen over een onderzoek in Frankrijk waaruit blijkt dat 15% van de mannen en vrouwen met een vaste relatie, dat is waarschijnlijk die stabiele relatie, zegt de afgelopen drie maanden geen seks met zijn partner te hebben gehad. Ik vind dat ook niet de beste voorwaarde om op een natuurlijke manier aan kinderen te geraken.

Er wordt ook voorgesteld dat de keuze voor een medisch begeleide voortplanting een vrije keuze is, een comfort. In de plaats van eerst kinderen te proberen maken, zou men onmiddellijk kiezen voor in-vitrofertilisatie omdat dat veel gemakkelijker is. Dat werkt niet op die manier. De keuze om voor in-vitrofertilisatie of een andere therapie te kiezen, is natuurlijk een beredeneerde keuze. Dat is een keuze waarbij een koppel of een alleenstaande vrouw de mogelijkheid benut om een gewenste voortplanting te realiseren.

Het is vanavond al gezegd. Mevrouw De Meyer had het daarover ook al tijdens de bespreking in de commissie. Niemand doet dit voor zijn plezier. Niemand neemt tijdskrediet om iedere week naar het ziekenhuis te gaan en zich daar door gynaecologen, biologen en andere specialisten te laten onderzoeken. Het feit dat men kiest voor een medisch begeleide voortplanting is een ontzettend grote stap. Dat is niet het paradijs, dat is de hel, zoals de heer Germeaux zegt. Men wordt soms jarenlang gekweld door de vraag of er al dan niet iets mogelijk is.

Ik vond het een beetje perfide dat men via een amendement het idee trachtte in te brengen dat, eenmaal men is ingeschreven voor de medisch begeleide voortplanting, men nog eens twaalf maanden moest wachten om opnieuw te laten bevestigen wat de oorzaken voor de mogelijke onvruchtbaarheid zijn. In de voorafgaande periode leert men perfect hoe dat zit. Ten behoeve van wie moet alles nog eens worden overgedaan? Ik stel hier veeleer een strategie van ontmoediging vast. Mensen in een zogenaamde stabiele relatie wil men destabiliseren en ontmoedigen om voort te gaan met wat zij hadden beslist.

Even gek is de stelling dat bij een kinderwens steeds twee mensen betrokken moeten zijn, en dat aan een kinderwens niet kan worden voldaan bij een alleenstaande vrouw. In eerste instantie lijkt dit aannemelijk, want nog steeds de meest gangbare praktijk.

Dat is een stelling die natuurlijk even hard en onredelijk is want dit betekent dat het oneerbaar is voor wie alleenstaand is of voor wie het wordt en dat men die personen uitsluit van het recht op kinderen. Als men deze voor mij onaanvaardbare redenering consequent wil toepassen in alle ethische dossiers, dan betekent dit eigenlijk ook – denk daar eens goed over na – dat dit zou impliceren dat degene die vandaag het beeld van het ideale gezin absoluut als enige norm zou aanvaarden, de facto deze redenering ook zou moeten toepassen in geval van de abortuswetgeving. Jullie zijn daar allemaal tegen geweest omwille van het belang van het kind. Nu spreekt men over het "on-belang" van de alleenstaande moeder en dan moet men ook consequent zijn. Als alleenstaande moeder zou een vrouw dan onder geen enkele voorwaarde een kind mogen krijgen.

Ik vind het een beetje jammer dat de vorige collega het absoluut moest herbevestigen. Dit schept bij mij het beeld dat er een zekere consequentie is in het betoog van een aantal collega's. Hoe meer ik het hoor, hoe schrikwekkender het echter ook wordt. Ik citeer haar nog eens: "De dood maakt definitief een einde aan elke echtelijke wil een kind te verwekken aangezien het paar niet meer bestaat." Ik vind dat een verschrikkelijke uitspraak. Wij hebben die in de commissie gehoord. Ze is in het verslag opgenomen en die is vandaag herhaald. Met de dood wordt de partner volledig weggegomd, ondanks de geuite wens vóór het overlijden om voor een kind te kiezen. Ik zei daarnet al dat men niet vrijwillig kiest voor een in vitro. Dat is een beredeneerde keuze. Eigenlijk had men het liever anders gewild. Ik stel ook vast dat ik nog geen enkele man ben tegengekomen met een kinderwens die voor zijn plezier dood gaat vóór het kind geboren wordt. Ik kan mij geen enkele partner voorstellen die tegen zijn vrouw zegt: vanavond niet schat, laat ons dat nog even uitstellen tot ik overleden ben en dan mag je je goesting doen met die kleine, maar ik ben wel donor. Ik denk dat de partner in elk geval zowel de zwangerschap als de geboorte wil meebeleven en zijn kind wil zien opgroeien. Dat is echter niet iedereen gegund.

De redenering die hier werd aangehouden, is dat het kind centraal moet staan. U moet dat echter eens opnieuw toepassen op een aantal zaken uit de realiteit. Ik wil u een voorbeeld geven. Man sterft, vrouw zit in een procedure voor medisch begeleide voorplanting. En dan moet u eens aan die mevrouw uitleggen dat dit niet meer kan omdat haar man dood is, waardoor het paar niet meer bestaat. Misschien bestaat het paar voor die vrouw wel nog. Misschien hebben ze afgesproken om in bepaalde omstandigheden toch die procedure aan te vatten, al is het maar omdat de wens werd geuit dat die man daardoor voor een stuk blijft voortbestaan in het volgende gezin waarin hij niet meer actief is betrokken. Als het kind dan toch centraal staat en het individuele geluk van dat kind in rekening wordt gebracht, dan probeer ik mij toch een aantal situaties voor te stellen.

Ooit gedacht aan het geluk van dat kind als de moeder later kan uitleggen dat de vader gestorven is maar dat het de enige wens was van de vader dat het kind zou geboren worden? Het zal wellicht – dat is mijn aanvoelen – meer geluk kennen omdat het weet dat het geboren is uit ouders die daar absoluut voor gekozen hebben. Ik denk zelfs dat er meer geluk is dan in het geval een kind dat geboren wordt uit een onbestaande relatie of uit een relatie waarin de man heeft vastgesteld dat de vrouw zwanger was en het afgebold is. Die kinderen zijn waarschijnlijk ongelukkiger en hebben meer moeite om op te boksen tegen het idee dat zij het resultaat zijn een te vlug afgebroken relatie of de vrucht zijn van een relatie waarbij de vader met de noorderzon is verdwenen. Trekken we deze redenering opnieuw door voor zwangere vrouwen van wie de partner is overleden tijdens de natuurlijke zwangerschap, dan komen we automatisch opnieuw terecht in het abortusdossier.

Dames en heren, als niet-wetenschapper ben ik in de commissie natuurlijk beperkt maar dokter Germeaux heeft de nodige uitleg en bijstand verleend. Dat deden ook andere mensen die wetenschappelijk opgeleid zijn. Ik denk dat we een zeer goede symbiose gehad hebben in de commissie van mensen met een filosofische achtergrond, mensen ook met een duidelijke politieke stelling en mensen met een wetenschappelijke achtergrond. Uiteindelijk zijn we tot een wet gekomen die een zeer goed kader biedt en die voldoende keuzevrijheid biedt, ongeacht de morele overtuiging. Ze maakt ook komaf met een aantal praktijken die misschien zouden kunnen ontstaan en die nu zullen verboden worden. Het is in elk geval verdienstelijk dat ze een aantal discriminaties en ongelijkheden opheft. Uiteindelijk is het de keuze dat men het natuurlijk geluk aan zijn kant heeft of niet en dat er wensouders zijn die minder gefortuneerd zijn of minder gefortuneerd door het leven stappen. Ik denk dat het de taak of de opdracht is van de politiek om aan iedereen evenveel kansen te bieden en om iedereen evenveel keuzevrijheid te bieden. Omdat het soms biologisch misloopt of anders loopt, is de ene niet superieur aan de andere. Vandaar dat deze wet dit soort superioriteit gelukkig uit de wereld helpt.

Le président: Monsieur Monfils, je ne répéterai pas les compliments que l'on vous fît.

 

Philippe Monfils

Monsieur le président, monsieur le ministre, chers collègues, faut-il en l'espèce légiférer? C'est une question que nous devrions tous nous poser chaque fois qu'une situation, un problème ou même un fait divers, alerte les parlementaires. Dans bien des cas issus parfois de l'actualité, des textes sont instantanément proposés - plus souvent pour interdire, d'ailleurs, que pour autoriser. C'est la loi du genre, et nous savons bien que le tri se fait dans les agendas des commissions parlementaires.

Toutefois, ici, il ne s'agit pas de n'importe quel domaine. Nous sommes dans l'éthique personnelle, c'est-à-dire l'analyse de ce qui est le plus intime chez l'être humain: les relations sexuelles et la fécondité, les espoirs de certains couples contrecarrés par la nature ou encore les motifs de certains parents qui veulent donner la vie.

Dans tous les dossiers éthiques que le parlement a abordés depuis deux législatures, je me suis toujours posé deux questions. Je ne sais pas, monsieur le président, si j'ai de l'expérience, mais j'ai tout de même de la mémoire.

Le président: La mémoire est une manière d'avoir de l'expérience.

Philippe Monfils

Première question: y a-t-il une demande de réglementation, et pourquoi?

Deuxième question: la personne humaine court-elle des risques qu'une réglementation pourrait écarter?

Dans le domaine de l'euthanasie, la demande émanait des personnes elles-mêmes, comme de certains médecins qui ne pouvaient déterminer les limites de leur intervention. Le risque d'abus de pouvoir existait, nous nous en souvenons - chacun, et pas seulement les médecins, pouvant s'estimer, en l'absence de réglementation, en mesure de juger du moment du décès et de la manière de donner la mort.

Pour le clonage, les chercheurs eux-mêmes demandaient que nous posions des balises entre lesquelles ils pourraient travailler comme ils l'entendaient. Il fallait, bien sûr, protéger les personnes contre les risques d'abus que la science pouvait faire peser sur eux.

En ce qui concerne le mariage des homosexuels et de l'adoption par les couples homosexuels, la demande était évidemment forte, et - pour un certain nombre de collègues et pour moi-même - il était infiniment préférable d'autoriser l'adoption plutôt que de recourir au montage parfaitement hypocrite que permettait le Code civil.

Dans tous ces cas éthiques, il y avait des réponses aux questions posées sur l'utilité d'une législation. Mais ici, à propos de la procréation médicalement assistée, qui demande une réglementation?

La qualité des centres était contrôlée sur la base d'un arrêté royal. D'ailleurs, cela n'a pas changé, puisque la loi consacre un demi-article au sujet. Aucune revendication ne provenait du corps médical. La loi sur le droit des patients prévoyait déjà de nombreuses dispositions sur l'information, le consentement aux interventions, etc. Alors, pour justifier le texte, certains ont évoqué l'Europe et une éventuelle future réglementation générale.

Pour fréquenter l'Europe au Conseil de l'Europe en tant que délégué, et pour l'avoir connue quand j'étais parlementaire européen, je puis vous dire combien l'entrée des institutions européennes dans le champ éthique est extrêmement faible.

En général, d'ailleurs, les décisions s'accompagnent de la liberté des États d'accepter ou non les dispositions votées – je fais référence, par exemple, à la convention sur la biomédecine –, quand ne sont pas vouées à l'échec les tentatives européennes comme celle qui consistait au Conseil de l'Europe à prévoir un texte valable pour tous les pays en matière d'euthanasie. Ce fut un lamentable échec!

Bref, pas d'imposition européenne sérieuse, une situation bien stabilisée où les rapports médecin-patient étaient prépondérants, aucun risque à l'horizon.

On aurait donc pu vivre sans loi.

Néanmoins, comme elle est là et que je n'ai pas l'intention de faire du terrorisme parlementaire, il convient d'analyser ses dispositions, les points positifs et les points négatifs.

Du côté positif, ce projet a le mérite de confirmer ce qu'on savait déjà et ce qu'on avait déjà soutenu, c'est-à-dire la non-discrimination entre couples homosexuels et hétérosexuels, ainsi que la possibilité pour une personne seule de recourir à la PMA. Le texte maintient aussi l'anonymat du donneur de gamètes.

Le professeur Englert a, dans un article publié dans "La Libre Belgique" de la mi-février, défendu avec juste raison ces dispositions; il a montré en quoi elles n'étaient nullement contraires à l'intérêt de l'enfant. Je ne démontrerai pas tout cela ici, mais je me contente de rappeler à ceux qui s'intéresseraient à la question, s'ils n'avaient pas lu la note du Pr Englert, de s'y mettre: elle est très éclairante, notamment en ce qui concerne l'enfant.

Malheureusement, ce projet de loi ne s'est pas arrêté là. Il en a profité, et je n'hésite pas à le dire, pour diminuer la liberté des personnes ayant recours à la procréation médicalement assistée.

Par quel biais? Tout simplement en sacralisant la technique médicale qui ne devient plus seulement un simple palliatif à l'insuffisance de la nature, mais qui, parce qu'elle est utilisée, génère des règles qu'il importe de respecter.

Faire l'amour pour créer un enfant ne demande ni règle ni justification. Mais faire un enfant par la technique, alors, les desservants de la nouvelle religion technologique froncent les sourcils et veulent définir une série de conditions! On ne pourra pas inséminer au-delà de tel âge, un soutien psychologique est obligatoire, on oblige les couples à fixer par convention le sort des embryons en cas de décès du mari, comme si, à 25 ou 30 ans, quand on souffre d'un problème de fertilité, dans une séquence de PMA, on pensait à la mort de l'autre.

Plus profondément, et c'est cela qui me choque, on culpabilise la femme une deuxième fois. Déjà en difficulté parce que c'est souvent sur elle qu'on rejette les causes d'infertilité, à tort ou à raison, elle se voit obligée d'entrer dans un système administratif où elle signe des conventions, des engagements, où elle doit subir, pendant tout le processus, l'intervention d'une personne extérieure à son couple, en l'espèce un psychiatre ou un psychologue, et tout cela pour simplement faire, par le progrès médical, ce qu'elle ne peut réussir par l'union charnelle.

Au lieu de minimiser le recours à la technique, on présente au couple un système d'organisation où l'aspect fonctionnaire prend le pas sur la relation simple et profonde qui est celle entre la patiente et le médecin.

Vous allez dire que j'exagère, mais non! Lisons la loi! Une convention doit être établie entre le centre et le ou les auteur(s) du projet parental. Elle prévoit l'affectation des embryons surnuméraires même en cas de divorce, de divergences d'opinion insolubles entre les auteurs, d'incapacité permanente ou de décès.

Elle peut aussi prévoir la possibilité d'implantation post mortem. Le délai de conservation des embryons surnuméraires peut être prolongé par une demande séparée du ou des auteur(s), c'est-à-dire une nouvelle note ou une nouvelle convention. Enfin, à l'article 32, la receveuse doit introduire une demande d'implantation d'embryons surnuméraires par lettre recommandée adressée au centre de fécondation concerné. Et c'est évidemment la même chose en ce qui concerne les gamètes.

Je suggérerais à chaque personne demandant une PMA de recourir aux services d'un notaire pour les formalités administratives et bien sûr au médecin de s'attacher la collaboration d'un avocat car, s'il y a manquement à la loi, il est sanctionné d'un emprisonnement d'un à cinq ans et d'une amende de 1.000 à 10.000 euros. C'est nettement plus cher que les infractions de sécurité routière!

Et tout cela, sans oublier que le texte prévoit en cas de contravention à la loi que le médecin ou le scientifique pourrait être privé d'exercer son activité pour une durée de cinq ans!

La question intéressante à se poser est la suivante: si les auteurs de la demande refusent et repoussent tout ce fatras administratif, que se passera-t-il? S'ils disent: "faites-moi avoir un enfant par la technique médicale, puisque je ne peux l'avoir autrement et fichez-moi la paix avec vos conventions, vos aides psychologiques qui sont autant d'éléments de contrôle social et d'intervention dans l'intimité du couple!". Et bien, les desservants de la nouvelle religion technologique ne pourront accepter votre demande et ils refuseront d'entreprendre la PMA. Sinon, ils seront dans l'illégalité par rapport à la loi.

Quand je vous disais que cette loi porte atteinte à la liberté individuelle!

Mais il y a mieux encore – ou pire –, c'est évidemment la manière dont on a réglé le diagnostic préimplantatoire (DPI). Il est bien évident que le DPI à caractère eugénique ou axé sur la sélection du sexe doit être interdit. Ce n'est pas une nouveauté. Le Sénat a, une fois de plus, copié joyeusement des textes antérieurs. En effet, tout cela est interdit depuis la loi du 11 mai 2003 relative à la recherche sur les embryons in vitro. Sans doute, pour faire bien, on a ajouté cet article dans le projet qui nous occupe. Cela fait un article de plus sans la moindre utilité.

Mais l'article 68 qui, lui, autorise exceptionnellement le diagnostic préimplantatoire dans l'intérêt thérapeutique de l'enfant déjà né du ou des auteurs du projet parental prescrit: "il appartient au centre de fécondation consulté d'estimer que le projet parental n'a pas pour seul objectif la réalisation de cet intérêt thérapeutique. Cette estimation doit être confirmée par le centre de génétique humaine consulté dont l'avis sera joint au dossier."

Traduisons: le ou les auteurs d'un projet parental ont un enfant frappé d'une infection à propos de laquelle on ne trouve pas de donneur compatible; le ou les parents envisagent d'avoir un autre bébé espérant une compatibilité permettant de sauver le premier enfant. S'ils ont le malheur de le dire lors de la demande de DPI, cette demande ne sera pas acceptée.

Cela signifie clairement que l'on refuse, dans un cas de détresse terrible, la connaissance de la situation génétique de l'embryon. On reconnaît bien là la victoire d'une tendance conservatrice rétrograde, qui oblige à supporter les conséquences du hasard de la naissance et qui n'admet pas que des êtres humains soient maîtres de leur destin, libres et éclairés.

En quoi le fait de n'avoir pour seul objectif qu'un intérêt thérapeutique peut-il être considéré comme humainement dégradant pour l'enfant à naître? Ne connaît-on pas des cas où la compatibilité entre frères et la guérison qui s'en est suivie ont davantage soudé les parents et les enfants que ne le sont les nombreuses familles dites sans problème.

L'expression "bébé médicament" dissimule la volonté de certains de ne pas admettre que l'homme et la femme aient quoi que ce soit à dire sur leur filiation. D'ailleurs, si l'on refuse la connaissance au profit du maintien du hasard aveugle – c'est ce que prône ce texte –, il est possible que la désillusion soit au bout du chemin si la compatibilité ne peut réussir. "L'enfant médicament", comme on dit, risque alors d'être stigmatisé voire d'être rejeté parce qu'il n'a pu combler les attentes du couple pour leur premier enfant.

Dans le débat qui nous occupe, je voudrais faire référence à quelqu'un que nous connaissons tous très bien, Mme Rosita Winkler, maître de recherche au FNRS, spécialiste en biologie moléculaire du cancer et membre du Conseil consultatif de bioéthique.

A une question qui portait sur le fait que l'on procrée généralement parce qu'on a le désir d'aimer et d'élever un enfant, Mme Winkler répondait: "Depuis toujours, on a voulu avoir des enfants pour toutes sortes de raisons: pour perpétuer le nom, la famille, léguer ses biens ou pour prendre soin des personnes âgées lorsque la sécurité sociale n'existait pas. On a inventé un beau concept: avoir un enfant par une espèce d'immense altruisme, mais il ne correspond pas tout à fait à la réalité. Et puis, de quoi parle-t-on? De parents qui avaient un enfant très malade et qui ont voulu avoir un autre enfant en souhaitant simplement qu'il puisse aider son aîné. Je crois qu'on a toujours fait ce qu'on a pu pour essayer d'améliorer le sort d'un enfant malade, depuis qu'on sait qu'on peut prélever le sang dans le cordon ombilical. Mais auparavant, on laissait faire la nature. On concevait un enfant et si on avait de la chance, cet enfant pouvait aider à guérir son frère ou sa sœur". Et Mme Winkler de conclure: "C'est pourquoi je ne suis pas scandalisée. Et je pense que si j'avais été dans le même cas et que si j'avais eu cette même possibilité, je l'aurais certainement choisie. Il me semble en outre que cet enfant qui aurait aidé son aîné à survivre aurait encore été plus précieux à mes yeux".

A la question précise "Faut-il légiférer sur les bébés-médicaments?", l'intéressée disait: "Comment voulez-vous? Va-t-on placer un gendarme dans chaque section de gynécologie, un juge d'instruction qui va interroger les futurs parents sur leurs motivations? Il faut laisser cette question aux parents et à leurs médecins." Je partage totalement cette opinion. De surcroît, chers collègues, le contrôle prévu par la loi semble précis mais il est en fait parfaitement hypocrite. Il suffit que les auteurs du projet parental, bien informés, évoquent un autre élément que le seul intérêt thérapeutique (par exemple: "Je voudrais avoir un enfant pour me succéder quand je ne serai plus parlementaire") pour que le centre réalise le diagnostic préimplantatoire. Une fois de plus, les couples ou les auteurs individuels bien éduqués, au courant du contenu de la loi éviteront le piège dans lequel tomberont immanquablement des personnes moins habituées aux textes législatifs, moins bien conseillées, moins au courant de toutes ces questions.

Enfin, à l'occasion de l'examen de ce texte, on a vu ressortir les vieux démons qu'on a agités à l'époque de l'avortement, et même dans les débats sur le clonage, sur la nature de l'embryon, la tentative de réduction de l'autonomie de la personne humaine, le contrôle social, l'obligation d'assumer les conséquences parfois dramatiques de la naissance. On aurait pu faire l'économie de ce débat qu'on croyait clos. Au lieu de cela, ce texte présente çà et là des traces d'un donnant-donnant entre les partisans de la connaissance, de l'autonomie, et ceux d'une liberté soigneusement contenue. La solution trouvée pour le diagnostic préimplantatoire en est un exemple. Tout le système entourant – pour ne pas dire "enserrant" – la ou les demandes de PMA en est un autre.

D'ailleurs, n'a-t-on pas entendu des collègues dire en commission qu'à tout prendre, avoir un enfant à 30 ou 35 ans, ce n'était pas sérieux, c'était de l'irresponsabilité. Voilà bien les risques: définir une norme fondée sur je ne sais quel état de la société et stigmatiser tous ceux qui ne la respectent pas.

En conclusion, monsieur le président, chers collègues, monsieur le ministre, j'aurais attendu mieux d'un texte concernant simplement le légitime désir d'enfant de femmes qui par la faute de la nature ne peuvent procréer. Ces femmes n'ont pas besoin de carcan, de contrôle social, de paperasse administrative. Par contre, elles ont besoin d'un médecin qui les écoute et avec qui elles peuvent dialoguer, elles ont besoin simplement d'un acte technique qui une fois réussi, leur permettra d'avoir un enfant dans les bras. Pour les raisons que je vous ai indiquées, je ne voterai pas en faveur de ce projet de loi.

Jacques Germeaux rapporteur

Mijnheer de voorzitter, ik wil ten aanzien van de heer Monfils toch een opmerking maken. Ik heb alle respect voor zijn stelling aangaande de aantasting van de individuele vrijheid.

Mijnheer Monfils, ik kan u daarin volgen. Bij de medisch begeleide zwangerschap worden toch wel derden betrokken. Die derden zijn artsen. U vindt dat dit niet geregeld moet worden, maar dat het een afspraak moet zijn tussen de arts en de patiënt. Daarin kan ik u volgen. Precies om andere voorbeelden tot op de dag van vandaag – ik spreek over de heer Antinori – te voorkomen, dachten wij echter dat een wettelijk kader nodig was. U kunt zeggen dat dat allemaal niet nodig is op het terrein. Maar u weet ook, als u eerlijk bent, dat de werkelijkheid de fictie ruimschoots overstijgt. Ik denk dat daarom dit wetsontwerp wel op zijn plaats is.

Philippe Monfils

Je ne légifère pas pour un cas particulier.

Entendre parler à chaque fois du docteur Antinori commence à m'exaspérer! Je ne connais pas beaucoup de personnes en détresse qui veulent avoir un enfant et qui se précipitent chez M. Antinori. Je ne connais pas non plus beaucoup de personnes de 65 ans qui veulent avoir un bébé en faisant appel à M. Antinori.

Dans tous les comportements humains, il y a des extrêmes. Je répète que je ne légifère pas pour l'extrême. Je légifère ou j'essaie de légiférer pour la majorité de la population.

Vous avez tiré d'une série d'éléments, qui pratiquement ne se présentent jamais, des conséquences visant à enserrer de manière inacceptable la PMA dans une série de dispositions trop précises.

Cela étant, vous avez votre avis. J'en ai un autre. Vous savez que dans notre groupe, la liberté de vote est de rigueur.

Vous ne me ferez pas changer d'avis. Cela fait des années que j'examine les tenants et aboutissants des problèmes éthiques que le parlement s'efforce de régler.

Rudy Demotte

Monsieur le président, je pense que nous sommes aujourd'hui devant un texte important. Chers collègues, ce texte n'est pas banal et il arrive effectivement à son heure, même si la fécondation in vitro a maintenant gagné ses lettres de noblesse après plus de 25 ans de pratique heureuse dans les hôpitaux, ce qui a déjà été rappelé à cette tribune.

Op 25 juli 1979 werd in Engeland in het Oldham ziekenhuis Louise Brown geboren. Dat kleine meisje van 2,600 kg was de eerste baby ter wereld die in vitro werd verwekt. De gebruikte methode, die toen revolutionair was, kan nu worden beschouwd als een van de eerste medische toepassingen van de celtherapie. De methode bestaat erin in een gunstig kweekmedium een bevruchting tussen een eicel en een zaadcel uit te lokken. Het embryo dat uit de bevruchting groeit, wordt daarna, in de hoop op een normale ontwikkeling, in de baarmoeder van de moeder teruggeplaatst.

De geboorte van de proefbuisbaby was het begin van de reproductieve geneeskunde, die sedertdien verhitte discussies tussen voor- en tegenstanders van de tegelijk fascinerende en onvermijdelijke vooruitgang van de wetenschap is blijven uitlokken.

De positie die België ter zake bekleedt, is vrij uitzonderlijk. Ons land mag op dat gebied prat gaan op een vlekkeloze reputatie die bovendien door onze wereldwijd erkende deskundigheid steeds beter wordt.

De nu ontwikkelde technieken voor medisch begeleide voortplanting worden voortaan op grote schaal toegepast door de erkende laboratoria, verbonden aan een zorgprogramma voor reproductieve geneeskunde en aan een centrum voor menselijke erfelijkheid, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 15 februari 1999.

Pourtant, au-delà de ce constat, médecins, professionnels de la santé, philosophes ou patients se sont affrontés, et continuent encore parfois à le faire, sur la question de la nécessité d'une loi relative à la procréation médicalement assistée. Ceux qui se sont succédé à cette tribune, même s'ils ne sont pas particulièrement tranchés dans leurs opinions, ont tous soulevé ce problème. Les spécialistes s'accordent pourtant à considérer que les normes procédurales qui règlent la pratique médicale de la procréation médicalement assistée offrent des garanties de qualité suffisantes pour les quelque 15.000 essais entrepris annuellement en Belgique. À première vue, les centres s'autogérent sans difficulté et permettent ainsi chaque année, dans le respect de nos différences philosophiques, à plus de 3.000 enfants de naître dans notre pays via ces méthodes.

D'aucuns craignent néanmoins que les velléités mégalomanes de certains ne donnent lieu à des dérapages, tels que ceux qui ont été rencontrés dernièrement aux USA, en Italie ou en Roumanie, pour ne citer que les plus récents. Les auteurs de ce qui est à l'origine une initiative parlementaire, puisque ce texte a été déposé au Sénat et signé par Mmes Christine Defraigne, Jacinta De Roeck, Isabelle Durant et MM. Philippe Mahoux et Patrik Vankrunkelsven, ont considéré qu'il convenait de baliser des pratiques liées à la procréation médicalement assistée dans le respect des différences essentielles existant dans notre société.

Ce texte, fruit d'un long travail de réflexion, d'auditions, de multiples séances de travail auxquelles j'ai apporté le support actif de mon cabinet, illustre bien ce que peut réaliser le Sénat dans l'évolution de notre système bicaméral. Devenu projet de loi suite à son adoption au Sénat, il arrive maintenant devant vous après un nouveau débat intéressant en commission de la Santé.

Pour moi, ce texte arrive en son temps car l'expérience accumulée par nos praticiens s'est affinée et précisée au gré des développements techniques qui sont venus enrichir la pratique, pour aboutir aujourd'hui à quelque chose de suffisamment fini et stable pour pouvoir être coulé en force de loi par le législateur sans risquer d'être immédiatement rendu obsolète par de nouveaux développements techniques.

Le sens général du texte qui vous est présenté est procédural. C'est une volonté délibérée car s'il convient en effet de rendre les procédures de procréation médicalement assistée plus uniformes et donc plus transparentes, sans pour autant poser les conditions d'accès qui ne sauraient être interprétées identiquement par tous, il était temps de trouver un espace normatif.

La proposit